Nederlandse steun aan Syrische oppositie was hoogst riskant en onduidelijk: rapport

By Jernst van Waal

Foto: Depositphotos.com

De Nederlandse regering heeft met haar steunprogramma voor oppositiegroepen in Syrië in 2015 grote risico’s genomen, aldus een regeringscommissie onder leiding van een voormalige legeraanvoerder.

Het ministerie van Buitenlandse Zaken heeft met het niet-dodelijke hulpprogramma, dat gericht was op het helpen van gematigde groepen in Syrië, ‘ver boven zijn gewicht uitgestoken’, aldus het rapport. Met name is onduidelijk waar de hulp terecht is gekomen en welke groepen daadwerkelijk zijn ondersteund.

Het programma, dat aanvankelijk 27 miljoen euro kostte, omvatte de levering van vrachtwagens, uniformen en tenten aan 22 oppositiegroepen van 2015 tot begin 2018, maar werd stopgezet omdat de Nederlandse steun aan de rebellen ‘niet het gewenste effect had’, aldus de ministers. de tijd.

In een oorlogssituatie zoals die in Syrië, een volledig overzicht houden van alle betrokken groepen is per definitie onmogelijk’, aldus het rapport van vrijdag. ‘Het zou ook onrealistisch zijn om te verwachten dat gewapende groepen in dit conflict – ook die gesteund door
Nederland – schone handen zou kunnen houden.’

De commissie is door het vorige kabinet ingesteld naar aanleiding van zeer kritische publicaties van Nieuwsuur en Trouw die vragen opriepen over de steun en de aard van de groepen die hadden geprofiteerd.

Met name Nieuwsuur en Trouw beweerden dat ten minste één van de groepen door het Nederlandse Openbaar Ministerie, dat destijds verwikkeld was in een rechtszaak tegen een van zijn leden, als terroristische beweging was bestempeld.

Het nieuwe rapport zei dat er geen aanwijzingen zijn dat de regering groepen ondersteunde die terroristisch of jihadistisch van aard waren, maar voegde eraan toe dat het ministerie van Buitenlandse Zaken onvoldoende toezicht had om te beoordelen of de groepen gematigd waren.

Lees een samenvatting van het rapport, in het Engels

De voorwaarden die het ministerie stelde, wekten de indruk dat er goed werd gecontroleerd, aldus het rapport. ‘In werkelijkheid had Nederland niet de mogelijkheid om groepen onafhankelijk te doorlichten, en dat had het ook niet het vermogen om ze onafhankelijk en nauwkeurig te monitoren. Nederland rekende op bondgenoten en particuliere uitvoeringsorganisaties voor doorlichting en monitoring.’

Minister van Buitenlandse Zaken Wopke Hoekstra zei in een reactie dat de situatie in Syrië ten tijde van het programma ‘buitengewoon en gedestabiliseerd’ was. Er was brede steun in politieke kringen voor steun aan degenen die zich verzetten tegen het regime van president Assad, zei hij.

Het kabinet zal later uitgebreider reageren.