Ruim tien jaar na het V&D-faillissement: zestien panden nog zonder definitieve bestemming, woningbouw domineert plannen
Kernpunten
- Van de 62 voormalige V&D-panden hebben 46 locaties inmiddels een nieuwe invulling; voor 16 panden lopen plannen of is nog geen definitieve keuze gemaakt (bron: Locatus).
- Nieuwe plannen draaien vaak om woningbouw en gemengd gebruik (winkels/kantoren/wonen), niet om een nieuw warenhuis.
- Grote metrages, diepe plattegronden en hoge sloop- en verbouwkosten maken herontwikkeling complex en tijdrovend.
Wat is de stand van zaken?
De leegstand die volgde op het faillissement van V&D werkt nog altijd door in Nederlandse binnensteden. Volgens marktonderzoeker Locatus is voor 16 van de 62 vrijgekomen panden nog geen definitieve bestemming vastgesteld, al ligt er op de meeste plekken wel een richting. De nadruk verschuift duidelijk naar wonen en gemengd binnenstedelijk programma, vaak met kleinere winkelunits op de begane grond.
Zeist is illustratief: daar staat het voormalige warenhuis al jaren stil. De ontwikkelkeuze is inmiddels gemaakt — sloop en nieuwbouw van appartementen — maar het traject laat zien hoe taai dit soort transformaties zijn. Een ontwikkelaar die bij het project betrokken is, schetst het probleem: de vraag naar immens grote winkelvloeren is weg, terwijl het knippen van zo’n pand in meerdere units technisch lastig en financieel risicovol is.
Minder vraag naar vierkante meters onder één dak en hoge bouwlogistieke kosten in krappe binnensteden drukken de haalbaarheid van herontwikkeling, aldus betrokken ontwikkelaars.
Waarom is herbestemming zo moeilijk?
- Schaal en diepte: klassieke warenhuizen hebben diepe plattegronden met weinig daglicht en beperkte gevelbreedte — onhandig voor moderne retailers die zichtlocaties willen.
- Kostenniveau: sloop, asbestinventarisaties, funderingsaanpassingen en het verzwaren van vloeren voor nieuwe functies zetten de businesscase onder druk.
- Binnenstedelijke bouwlogistiek: weinig ruimte voor bouwplaatsen en aan- en afvoer verlengt de doorlooptijd en verhoogt de kosten.
- Vergunningen en draagvlak: functiewijzigingen naar wonen vragen intensief overleg met gemeenten en omwonenden over programma, mobiliteit en leefkwaliteit.
- Financiering: inkomsten uit één grote huurder zijn minder realistisch; projecten leunen vaker op mix-use, gefaseerde verhuur en soms publieke bijdragen om rond te rekenen.
Hudson’s Bay was geen blijver
Een korte opleving kwam in 2017 toen Hudson’s Bay in vijftien voormalige V&D-locaties startte. De keten vertrok echter al na twee jaar, waarmee duidelijk werd dat het klassieke warenhuismodel structureel onder druk staat. Ook het idee om de panden te verdelen in kleinere winkels bleek niet overal haalbaar: ondernemers geven de voorkeur aan goed zichtbare plekken in de hoofdwinkelstraten, terwijl veel V&D-panden vooral in de diepte waarde bieden.
De cijfers in het kort
- 62 V&D-panden vielen vrij na het faillissement (2015–2016).
- 46 locaties hebben nu een nieuwe invulling (variërend van winkels en kantoren tot woningen of gemengde functies).
- 16 locaties zitten in de pijplijn of wachten op definitieve besluitvorming (bron: Locatus).
Van reddingsplan naar uitverkoop: het tijdspad
Vroom & Dreesmann, bijna 130 jaar oud, ging op 31 december 2015 failliet. Ongeveer 10.000 banen stonden daarmee op de tocht. Een eerder ingezet reddingsplan onder investeerder Sun Capital bleek niet houdbaar. Enkele mijlpalen:
- : uitstel van betaling; het financiële vangnet valt weg.
- : faillissement uitgesproken.
- : La Place vindt snel een nieuwe eigenaar bij de familie Van Eerd (Jumbo).
- : landelijke faillissementsuitverkoop ruimt de resterende voorraden in 62 warenhuizen.
Curatoren Hanneke De Coninck en Kees van de Meent begeleidden het omvangrijke traject. Diverse partijen onderzochten een doorstart — onder wie bekende retailondernemers — maar boden uiteindelijk te weinig basis voor een levensvatend nieuw warenhuis.
Financiële impact en investeringsplaatje
- Wonen als drager: appartementen boven plintfuncties leveren doorgaans stabielere kasstromen dan één grote retailhuurder.
- Capex-gedreven: sloop/nieuwbouw of zware verbouw vragen hoge initiële investeringen; projecten worden vaak haalbaar door hogere dichtheden en een mix van functies.
- Doorlooptijd en kosten: krappe binnenstedelijke posities verlengen bouwtijd en financieringslasten, wat de IRR drukt zonder scherpe inkoop of extra waardecreatie.
- Risicospreiding: meerdere kleinere huurders in de plint spreiden risico’s, maar vergen actieve assetmanagement en marketing.
Vooruitblik 2026
De verwachting is dat meer voormalige warenhuizen de komende jaren worden getransformeerd naar wonen en gemengd gebruik, zeker in middelgrote steden met woningdruk. Locaties zoals Zeist gaan nu de sloopfase in; eerste opleveringen worden vanaf 2027–2028 voorzien. Gemeenten zetten in op levendige plinten, compacte winkelgebieden en meer binnenstedelijke woonkwaliteit. Voor beleggers en ontwikkelaars ligt de sleutel in slimme herverkaveling, logistieke optimalisatie en sterke plintconcepten die aansluiten bij de lokale vraag.